Waarom het gesprek met ouders zo vaak misloopt
Het bespreken van vermoedens van kindermishandeling is voor veel beroepskrachten het lastigste onderdeel van de aanpak van kindermishandeling. Toch is een gesprek met ouders essentieel om kind en ouders te kunnen helpen. In dit artikel geef ik 3 belangrijke inzichten die kunnen voorkomen dat een gesprek over vermoedens misloopt.
1. Er van uit gaan dat ouders daders zijn
Veel professionals die een niet-pluisgevoel hebben bij een situatie, zien ouders bij voorbaat al als daders. Dit is één van de belangrijkste redenen waarom ze het contact met ouders snel verliezen.
Als professional is het niet je taak om kindermishandeling op te sporen en daders aan te wijzen. Wel moet je je zorgen bij ouders kenbaar maken. Dit doe je door het gesprek open in te gaan. Misschien hebben ouders wel een hele legitieme verklaring voor het gedrag van hun kind?
Blijken je zorgen gerechtvaardigd, dan kun je ouders de weg wijzen naar hulp. En maak dan ook een vervolgafspraak om te kunnen blijven volgen hoe het gaat.
Schat je de situatie ernstig in? Vraag dan zeker advies bij het AMK of doe een melding.
2. Niet nieuwsgierig zijn naar de mening van ouders
Voor veel professionals is de mening van (vermoedelijke) mishandelende ouders niet belangrijk. In hun ogen zijn het mensen die ongeschikt zijn in hun rol als ouder. Toch is het belangrijk dat je probeert oprecht nieuwsgierig te zijn naar de mening van ouders. Zij zijn tenslotte de deskundigen over het kind in zijn of haar dagelijks leven. Doe een beroep op ze in hun rol als deskundige. En vraag ze met je samen te werken om tot een betere situatie te komen voor hun kind.
3. Vaag zijn over de zorgen
Concreet kunnen weergeven wat je hebt waargenomen in het gedrag van het kind is heel belangrijk. Veel professionals vinden dit lastig. Laatst vertelde een lerares dat ze de zorgen met ouders op de volgende wijze had gedeeld: “ik vertelde ze dat hun zoon zo naar binnengekeerd is en zich niet interesseert voor andere kinderen”. De ouders herkenden zich niet in dit beeld en kapten het gesprek af. Dit had de lerares kunnen voorkomen als ze concreet had geformuleerd wat ze had waargenomen. Ze had haar interpretatie beter voor zich kunnen houden. De lerares had bijvoorbeeld kunnen zeggen: “Ik maak me zorgen over uw zoon. Hij gaat steeds met zijn stoel buiten de kring zitten, hij kijkt mij niet aan als ik tegen hem praat en in de pauzes speelt hij niet met andere kinderen.” Dit is een feitelijke weergave, zonder oordeel. De kans is groot dat ze de ouders hiermee wel bereikt.



